Het kruishout spleet onder 't geweld,
van felle zware hamerslagen.
Met spijkers door Zijn pols gesteld,
de pijnen die Hij moest verdragen.
Ook door Zijn voeten ging in 't hout,
de ijzeren priem die deed verwonden.
Want Jezus had een hart van goud,
Hij wilde dragen onze zonden.

Een schreeuw van pijn klonk uit Zijn mond,
bij elke slag die er deed klinken.
Die was te horen ver in 't rond,
en Hem krampachtig weg deed zinken.
Daar hing Hij in de hete zon,
die aan de hemel stond te gloeien.
Waarmee zijn lijdensweg begon,
van dorst en hitte te verschroeien.

Hoe wreed is dit gerechtstafereel,
hoe een onschuldige moest lijden.
Met droge lippen, droge keel,
die langzaam in de dood laat glijden.
Slechts Hij volbracht die offerdaad,
die mens en wereld zou bevrijden.
Het is Zijn sterven dat ons baat,
omdat Hij voor ons wilde lijden.
Justus A. van Tricht