Het vreselijk kruishout voor mijn ogen,
staat op de heuvel opgericht.
Daar hangt mijn Heiland en Verlosser,
in 't schroeiend hete zonnelicht.
Ik zie hoe smartelijk Hij moet lijden,
Hem krimpend hangend van de pijn.
Maar ik kan van de Heer niet scheiden,
'k wil in dit uur dicht bij Hem zijn.

Rondom mij hoor ik spotten, honen,
men heeft Zijn klederen reeds verdeeld.
Hier hangt de Vorst, van Israëls zonen,
die zoveel mensen heeft geheeld.
Wil men dan van het Woord niet weten,
dat spreken doet van 't offerlam.
Of is men dat wellicht vergeten,
dat Hij daarvoor op aarde kwam.

Wie zou voor deze marteling kiezen,
en wetend dat de dood hem wacht.
Zijn leven voor een elk verliezen,
totdat het offer is volbracht?
Hij wilde alle zonden dragen,
van heel de wereld u en mij.
Wie zou naar Jezus naam niet vragen,
Hij immers maakt ons daarvan vrij.

Het vreselijk kruis wat wij aanschouwen
dit martelwerktuig dat blijft staan.
Het is 't symbool van ons vertrouwen,
dat Jezus ook is opgestaan.
Het kruis laat aan ons openbaren,
dat onze zonden zijn verzoend.
Door liefde die zich liet bezwaren,
met zonden die zijn uitgeboend.
Justus A. van Tricht