Zachte klanken die verklinken
golven ruisend om mij heen.
Van het orgel door de ruimte,
even stil met God alleen.
'k Moest de drukt' even ontvluchten,
'k zocht wat rust in het rumoer.
Van het dagelijks beslommeren,
en de last die ik ervoer.

Luisterend naar verstilde klanken,
ging ik zitten in de bank
'k Hoorde melodieën zweven,
met aan God gewijde dank.
Stil genietend onder bogen,
vensters waar het licht door kwam.
Stegen beden naar de hemel,
die God horend tot zich nam.

De muziek deed mij optillen,
bracht mijn hart en geest tot rust.
Liefdevol heb 'k toen het kruisbeeld,
van mijn Heiland zacht gekust.
'k Weet Hij heeft veel meer gedragen,
dan wat ik te dragen had.
'k Voelde dat Hij mij zou steunen,
op 't met Hem begaanbaar pad.

Uit de tinnen orgelpijpen,
klonk plots 't Gloria omhoog.
Door de wind die hen liet spreken,
mond en lippen sterk bewoog.
't Halleluja van de stemmen,
die het orgel rijk bezat.
Maakten vrij van mijn beklemmen,
bij mijn rondgang door de stad.

In mijn hart bleef resoneren,
klank van liederen net gehoord.
En de mooiste melodieën,
met hun stralend slotakkoord.
'k Was weer terug op deze aarde,
na mijn uitstap in de kerk.
Waar een lied mij deed herinn'ren,
aan Gods groots verlossingswerk.
Justus A. van Tricht