De hemel zendt haar lenteboden
en opent zich met gouden gloed.
Zij laat ons tot de vreugde noden
waarmee zij vrolijk ons begroet.

De tijd is eindelijk aangebroken
die aan ons mensen is beloofd.
Waarvan wij zolang zijn verstoken
maar waarin hartelijk is geloofd.

De nacht is nu voorgoed verdwenen
Gods dageraad heeft zich ontplooid.
Wij zien het Godsrijk om ons henen
en met een gouden kroon getooid.

De schoonste bloemen staan te bloeien
ook bomen, struiken botten uit.
Nu heerst er rust en geen vermoeien
nadat Gods Rijk is ingeluid.

Fontein en beken hun geklater
ruist als muziek in ieders oor.
Wij zien hoe dat hun stromend water
aan ’t landschap biedt hun liefelijk spoor.