Nederlandse-gedichten

Er komt een nieuwe tijd
dichtbij na elke morgen.
Waarmee God ons verblijdt
eeuwig bij Hem geborgen.

Geen leed zal er meer zijn
geen dood, verdriet te vrezen.
Geen tegenspoed geen pijn
maar vreugde zal er wezen.

Komt zie de dag breekt aan
gewekt door zonnestralen.
Ons wacht een nieuw bestaan
de Bruigom komt ons halen.

Hij roept ons voor het feest
geliefden mogen komen.
tot Hem die troost, geneest
de feestzaal binnenstromen.

Wij zitten met Hem aan
Hij schenkt ons spijs en wijnen.
Een totaal nieuw bestaan
biedt Hij aan al de Zijnen.

Hij gaat ons voor Hij wil ons leiden
wijst ons de weg om die te gaan
die ons zal voeren tot bevrijden
de weg naar ’t hemels Kanaan.
Hij spreekt tot ons rijk in verhalen
over het komend koninkrijk.
Die Hij begripvol blijft vertalen
Hij geeft ons van Zijn liefde blijk.

Hij blijft Zijn wonderen ons tonen
die wijzen op Zijn grote macht.
Hij schenkt Gods dochteren en zonen
genezing en hen nieuwe kracht.
Hij richt hun geest Hij richt hun voeten
opdat zij op Zijn paden gaan.
Waar heil en vree hen zal ontmoeten
toevloeit op heel hun levensbaan.

Ook heden is Zijn stem te horen
de Herder die Zijn schapen leidt.
Hij laat voor hen het zonlicht gloren
dagelijks over hen uitgespreid.
Zijn staf is als een richtingwijzer
die wordt geheven voor hun oog.
Het is voor allen de verwijzer
naar ’t pad dat allen voert omhoog.

Gods schepping is Zijn schilderij
door Hem gesierd met warme kleuren.
Zij toont zich rijk aan u en mij
als levend wonderlijk gebeuren.
Het groen der aard het blauw der zee
toont ons haar allermooiste tinten.
God voert ons door Zijn wereld mee
naar ’t woud van groene terebinten.

Gods hand wijst ons op de natuur
en toont aan ons de schoonste dieren.
In tinten kleurrijk en zo puur
die ’t levend schilderij doen sieren.
God wijst ons naar de hoogste top
de bergen met besneeuwde flanken.
Hij neemt ons mee de heuvels op
maakt ons attent op vogelklanken.

Elkeen die ’t schilderij beziet
moet wel in stilt’ verwonderd zwijgen.
Voor wat de Schepper aan hem biedt
en wat wij uit Gods hand verkrijgen.
Want rentmeesters zullen wij zijn
die aangesteld over Gods gaven.
Getrouw aan Gods gestelde lijn
zich richten naar ’s Heren maatstaven.

Dit schilderij van Gods palet
de arbeid van Zijn Geest, Zijn handen.
Daarin heeft Hij ons neergezet
verbonden door Zijn liefdebanden.
Hij schonk ons d’ aarde als bezit
haar te bewerken te bewonen.
Om van ’t ons aangereikt bezit
de Heer de rijke vrucht te tonen.

In de kringloop van ’t gebeuren
zien wij de getijden gaan.
Elk seizoen bezit zijn kleuren
die ook eenmaal weer vergaan.
Wat ons ’t voorjaar heeft te bieden
na de koude wintertijd
zal ook eenmaal weer vervlieden
in de warme zomertijd.

Maar ook die zal weer verglijden
met haar schoonheid en haar glans.
Die ons steeds weer blijft verblijden
luchten blauw met zonnekrans.
Waarna herfstsfeer zich laat gelden
met haar stormen en haar wind.
Winter zich daarna gaat melden
waar zich sneeuw en ijs bevindt.

Zo gelijkt ook ’t mensenleven
op de kringloop hier getoond.
Als de knop zo schoon geweven
in ’t voorjaarstij de aard bewoont.
Doortrokken worden dan de tijden
steeds weer herhaald door God beschikt.
Dagen, jaren die verglijden
eenmaal door God afgetikt.

Mens en schepping deze beiden
onderhevig aan de tijd.
Moeten in de kringloop scheiden
van wat God eens heeft bereid.
Op een dag zal het gebeuren
dat God alles weer vereend.
En voor eeuwig met haar kleuren
nieuwe schoonheid wordt verleend.

Na het sterven komt nieuw leven
heel Gods schepping bloeit weer op.
Die belofte is ons gegeven
alles staat dan weer in knop.
Ook ons mensen wordt gegeven
door de Heer een nieuw bestaan.
Want de kringloop van het leven
zal eens eeuwig verdergaan.

Met vreugde werd jij kind ontvangen
voor ons was je een Godsgeschenk.
Vervuld heeft God ons hartsverlangen
jouw komst dat was Zijn liefdeswenk.

Helaas mochten wij niet behouden
wat God aan ons had toevertrouwd
Hij nam je weg toen viel de koude
je werd voor ’t laatst door ons aanschouwd.

Een bittere strijd werd er gestreden
wij vroegen God naar het waarom
er na de vreugd zwaar moest geleden
om ’t kind nu in Zijn heiligdom.

Gods liefde leerde ons berusten
vol overgave aan Zijn trouw.
Om daarin veilig te gerusten
Hij tilde ons uit ’t geestelijk nauw.

Ons kind nu bij de Heer geborgen
vond in de hemel plaats bereid.
Waar God als Vader nu zal zorgen
voor ’t kind tot in der eeuwigheid.

God kent de kamers van je hart
Hij is bekend met je gedachten.
Vertelt in liefde wat jij mens
van Hem je Helper kunt verwachten.

De Heer komt tot je met Zijn Woord
Hij geeft aan jou Zijn wil te kennen.
Hij hoopt dat jij die ook volbrengt
als kind in Vaders arm zult rennen.

Jouw leven wordt door Hem bewaakt
Zijn hand zal liefdevol je leiden.
Waar jij op ’s Heren wegen gaat
waar Vader jou graag wil verblijden.

Met Vader ben je nooit alleen
Hij zal jou kind altijd beschermen.
’t Is Vader die je nooit verlaat
maar zich over jou blijft ontfermen.


Wie kent er niet de hoge golven
wanneer die hem terneer zal slaan.
En door de eenzaamheid bedolven
zijn weg alleen moet verdergaan.
Wie kent er niet dat krachtig stromen
dat hem of haar dan overspoelt.
Een mens met zijn verstoorde dromen
die dan zijn eenzaamheid zo voelt.

Soms staat ons ’t water aan de lippen
door die gevoelens meegevoerd.
Men kan zijn angsten niet ontglippen
voelt zich verlaten, voelt zich beroerd.
Maar God Hij zag die mens en hoorde
de weeklacht van zijn luide stem.
Die ’t smeekgebed van hem verhoorde
dat tot Hem steeg uit nood met klem.

De Heer omvatte met Zijn handen
de mens in al zijn eenzaamheid.
Hij liet voor hem het licht weer branden
want God blijkt steeds tot hulp bereid.
Die zal de Heer ook steeds weer zenden
aan ieder die Hem daarom vraagt.
Want God is ’t die in zijn ellende
de mens die tot Hem bidt ook draagt.

Het licht van Gods aanwezigheid,
dat voor ons is ontstoken.
Haar stralen in de ruimte spreidt,
straalt helder ongebroken.
Het spreekt van liefde en van trouw,
verhaalt van Gods genade.
En met dit licht in ogenschouw ,
laat God er ons in baden.

Dit licht dat voor ons uitgespreid,
de ruimte blijft vervullen.
Is spiegel van de eeuwigheid,
waarmee God wil omhullen.
Een ieder die naar ‘t licht opziet,
hen daarmee overspoelen.
Symbool van toekomst in ‘t verschiet,
die komt naar Gods bedoelen.

Gods licht dat hart en ziel verblijdt,
ons uit het duister heffend.
Het licht dat naar het leven leidt,
ons met haar stralen treffend.
Met gouden glans haar koorden spint,
waarmee God ons wil trekken.
Licht van de Heer die ons bemint,
doet in ons vreugde wekken.


Vergeet o mens dit ene niet
al ’t geen in bruikleen slechts verkregen.
Van alles wat de Heer u biedt
dat is besprenkeld met Zijn zegen.
Al ’t aardse wat de Heer u schenkt
dat is met tijdelijkheid omgeven.
Maar wel met ’s Heren liefd’ doordrenkt
Hij overspoelt daarmee uw leven.

Weet eenmaal komt voor elk de dag
dat aards bezit hem niet zal baten.
Dan maakt God hem van ’t uur gewag
om alles achter te gaan laten.
Maar wie zijn ogen heeft gericht
op wat hierna voor hem zal komen.
Ziet dan in ’t Goddelijk hemels licht
vervulling van zijn schoonste dromen.

God reikt hem dan Zijn schatten aan
die roest noch mot kunnen verslinden.
En tot in eeuwigheid bestaan
zoals die nergens zijn te vinden.
Elk die zijn hart naar boven richt
op wat hij eenmaal zal ontvangen.
De heerlijkheid Gods toegedicht
mag daar hartstochtelijk naar verlangen.

Want dan is er geen bruikleen meer
ontvangt de mens het eeuwig leven
Zijn schat, een leven tot Zijn eer
de rijkdom Gods die Hij zal geven.
Daar zijn Gods tijden mee vervuld.
een feest zal ‘t eeuwig leven wezen
Als God Zijn gaven ons onthult
waarvoor Zijn naam dan zij geprezen.

Hij was als mens alles verloren
’t bestaan bestond uit eenzaamheid.
Hij zag geen enkel licht meer gloren
wilde van d’ eenzaamheid bevrijd.

’t Was elke dag voor hem weer vechten
tegen de golven van ’t verdriet.
Hij wilde zich zo graag weer hechten
aan iemand die hem uitkomst biedt.

Hij had van Jezus niet vernomen
en wist de weg niet daar naar toe.
Om bij de Heiland aan te komen
hij was kapot en levensmoe.

Maar op een zondag in zijn leven
bezocht hij plotseling de kerk.
Daar werd door ’t woord hem aangegeven
het heil van Gods verlossingswerk.

De mens vermoeid en zwaar beladen
mag daarmee tot de Heiland gaan.
En Hem vertellen van de schade
aan hem in ’t leven aangedaan.

Zo kwam ook ’t woord bij hem naar binnen
dat hem ten diepste heeft geraakt.
Hem kansen bood van nieuw beginnen
door Jezus tot nieuw mens gemaakt.

Zijn leven gaf hij Hem in handen
van nu af volgde hij de Heer.
Die liefde in zijn hart liet branden
ontstoken en niet eenzaam meer.

Gratis zijn de mooiste dingen
die ons dagelijks omringen.
Zoals liefde lucht en zon
waar de dag steeds mee begon.

Gratis is zo veel te krijgen
de muziek die niet zal zwijgen.
Bloemenpracht in de natuur
grote schoonheid rijk en puur.

Gratis wordt aan ons gegeven
uit Gods hand aan ons het leven.
Die zijn liefde om ons weeft
die Hij elke dag weer geeft.

Gratis zijn er zo veel dingen
die ons dagelijks omringen.
’t Zijn beslist er meer dan tien
die de Schepper ons laat zien.

Gratis is ook Gods genade
waarin wij als mensen baden.
God die zonde en schuld vergeeft
wenst dat ieder eeuwig leeft.

Gratis blijkt altijd Gods streven
wat Zijn milde hand zal geven.
Die in alle ding voorziet
wat God ons in liefde biedt.

Licht dat stromend steeds blijft vloeien.
Licht dat ons verwarmt, verblijdt.
Licht dat eindeloos blijft groeien.
Stralend Licht der eeuwigheid.
Geen begin kent en geen einde,
uitgaand van de Eeuwig Zijnde.
Licht dat uitstraalt van Zijn troon.
Hemels licht zo wonderschoon.

Licht dat nimmer zal verbleken.
Licht dat waaiert om ons heen.
Licht dat gaat naar alle streken.
Stralend licht dat niet alleen,
onze zielen zal verwarmen.
Maar ons toont het groot erbarmen.
Van Gods liefde spreekt, de Heer.
Licht dat brengt in hemelsfeer.

Licht dat ons voor God laat juichen.
Licht in zeven kleuren rijk.
Licht dat ons voor Hem laat buigen.
Stralend licht in handbereik.
Licht dat voor ons is ontloken,
eenmaal door God zelf ontstoken.
Licht dat helder is en rein.
Onbesmet voor God moest zijn.

Licht waarin wij mogen leven.
Licht zo klaar, als fijn kristal.
Licht dat Hij steeds uit laat zweven.
Stralend licht door het heelal.
Geen begin kent en geen einde,
uitgaand van de Eeuwig Zijnde.
Licht dat uitstraalt van Zijn troon
Hemelsbreed zo wonderschoon.

Geen moeite heeft de Heer gespaard
Gods liefde heeft de mens bewaard.
Die blijkt op heil en redding uit
voor iedereen naar Zijn besluit.

De goede God zond ons Zijn Zoon
die dragen zou het zondaarsloon.
Voor ’s mensen daad eens in de hof
die daardoor neerviel in het stof.

Sinds eeuwen staat er nu een kruis
want Jezus Christus brengt ons thuis.
De dood die Hij voor ons verwon
laat ons weer leven in Gods zon.

Dit kruis dat toont ons telkens weer
de grote liefde van de Heer.
Tezamen met die van de Zoon
eren wij die op hoge toon.

Ons lied dat hart en mond verlaat
stijgend tot hemelhoogten gaat.
Dankt blij de Vader en de Zoon
in ’t heilig licht der hemel woon.


Gedraag je naar de woorden van de Heer
en luister steeds weer wat Hij heeft te zeggen.
Leg niet de woorden van de Heiland naast je neer
door die als nutteloos terzijde te gaan leggen.
Maar richt je hart en oren steeds op Hem
waarop je ogen zich ook richten zullen.
Hij vraagt in liefde je met warme stem
om wat Hij vraagt ook blijvend te vervullen.

’t Belangrijkst wat de Heiland van je vraagt
is dat de liefde in je hart zal prijken.
En dat je die ook dagelijks uitdraagt
die door jouw levenshouding ook zal blijken.
Want is jouw leven in het liefdekleed gehuld
dan is dat duidelijk zichtbaar ook te merken.
Als jij de wensen van de Heer vervult
dan zal Hij je daarin ook zeker sterken.

Uit duizenden zou ik herkennen,
de stem van Hem wiens liefd’ mij bindt.
Tussen ‘t geroezemoes der stemmen,
waar ook ter wereld ‘k mij bevind.
Geen enkele twijfel zou ik voelen,
omdat Hij daag’lijks met mij spreekt,
en mij verhaalt van Zijn bedoelen,
met mij, die nooit Zijn trouw verbreekt.

Het is de Heer Hij laat mij weten,
van liefde en trouw, Hij is mijn vrind.
Hij is de Zoon van God de Vader,
van wie ik zijn mag ook Zijn kind.
In alles wil Hij mij geleiden,
in alles is Hij mij nabij.
Hij is mijn kracht, mijn troost, verblijden,
Hij staat mij steeds met hulp terzij.

Zijn liefdevolle fluisteringen,
Zijn leringen, Zijn zacht vermaan.
Waarmee Hij mij steeds blijft omringen,
op alle wegen die wij gaan.
Zijn sterke handen die mij dragen,
waar paden onbegaanbaar zijn.
Daar zal Hij steunen en mij schragen,
mij troostend in verdriet en pijn.

Hij schenkt mijn hart Zijn stille vrede,
die al ‘t verstand te boven gaat.
Brengt mijn onrustig hart tot rede,
en schenkt mij vreugd in ruime maat.
Wat zou ik zonder Hem toch moeten,
in deze aardse woestenij.
Als Hij niet richten zou mijn voeten,
en Hij niet daag’lijks was met mij.



Bent u ook zoals de Vader,
in de hemel ruim van hart.
Die Zijn kind’ren blijft vergeven,
‘t kwade, dat wat zij misdreven.
Niet toerekent, niet gedenkt,
zal vergeten, hen laat weten,
nodigend hen liefd’vol uit.
Hen weer in Zijn armen sluit.

Bent u ook zo voor de mensen,
die u hebben pijn gedaan.
Door hun woorden en hun hand’len,
hun gedragingen, hun wand’len.
Kunt u hen hun schuld vergeven,
en weer met hen samen leven.
Nieuwe wegen weer te gaan,
anders, liefdevol voortaan.

Zegt de Heer niet ons te hand’len,
naar het voorbeeld dat Hij gaf.
Steeds bereid weer tot vergeven,
want dat is het nieuwe leven.
Dat daardoor weer kan beginnen,
dat is leven in beminnen.
Zoals God u heeft vergeven,
liefde schenkt die weer doet leven.

De Heer Hij kent ons diepst verlangen,
Hij weet wat er in ons hart leeft.
Wij biddend hopen te ontvangen,
wat God genadig aan ons geeft.
Wij hopen dat God wil verhoren
de beden die elk tot hem zendt.
‘t Verlangen dat in ons geboren,
ook door de Schepper wordt erkend.

Niet altijd zal de Heer verhoren,
en komt er antwoord op ’t gebed.
Want God Hij weet reeds van te voren,
waar Hij bij ieder kind op let.
Want Vader God Hij wil het beste,
niet altijd wat Zijn kind verlangt.
Voordat die zegenend Gods geste,
in liefde van de Heer ontvangt.

De keuze die de Heer zal maken,
stijgt immers boven d’ onze uit.
Die zal ons pas gelukkig maken,
naar wat Hij voor elkeen besluit.
Want ’t geen wat wij als mens bedenken
dat voert de Heer dikwijls niet uit.
Als Hij wat beters heeft te schenken,
dat niet tegen Zijn regels stuit.

Wees daarom blij met alle gaven
waarmee de Heer ons overlaadt.
Zijn zegen waar Hij mee zal laven
slechts ’t goede dat ons nimmer schaadt.
Leg u dan neer bij de gedachten
dat God steeds weer voor ’t beste kiest.
En leer geduldig af te wachten
waarbij u wint en nooit verliest.

Als jij geen raad meer weet
kapot, moe en verslagen.
Door ’t aangebrachte leed
dan mag je God hulp vragen.
Kniel dan maar voor Hem neer
vertel Hem van jouw noden.
Vertrouw dat door de Heer
Zijn hulp je wordt geboden.

Als God gevouwen handen,
gebogen knieën ziet.
In ’t hart de vragen branden
die jij als mens Hem biedt.
Dan luistert God geduldig
je woorden een voor een.
Die je tot Hem veelvuldig
mag uiten met geween.

Al is God hoog verheven
Vader ziet op je neer.
Want Hij zal aan je geven
een hart vol vredessfeer.
Je komt ’t verdriet te boven
doordat de Heer je helpt.
En jij er in mag geloven
dat Hij je wonden stelpt.

De Heer heeft zich met ons verbonden
Hij staat in liefde ons terzij.
Hij zoekt totdat Hij heeft gevonden
en zegt elk mens hij hoort bij Mij.
Ik ben de Herder zij mijn schapen
Ik ben het die hen hoed en weid.
Ik waak wanneer zij allen slapen
voordat Ik hen weer verder leid.

De kudde die Hij zal beheren
die leidt Hij naar ’t beloofde land.
Naar waterbronnen vredessferen
een rustoord aan de waterkant.
En mocht er soms een schaap verdwalen
in ’s levens barre woestenij.
Dan zal de Heer dat schaap terughalen
want ook dit schaap dat hoort erbij.

Hoor jij ook bij die kudde schapen
en bij de Herder die hen leidt.
Die met Zijn kruisvlag als zijn wapen
ook jou van zonde heeft bevrijd.
Wil jij die Goede Herder volgen
wiens stem en hand de wegen wijst.
Waarop je niet door ’t kwaad verzwolgen
met Hem naar ’t veilig einddoel reist?

Je mag je bij Zijn kudde scharen
door ook met Hem op weg te gaan.
Dan zal de Herder je bewaren
want Jezus Christus is zijn naam.
Je zult geluk en vrede vinden
want weet de Heiland roept ook jou.
Om hart en ziel aan Hem te binden
geborgen in Zijn liefde en trouw.
 

Mijn kind Ik zal je nooit vergeten.
Jouw naam staat in Mijn hand gegrift.
Ik wil je hierbij laten weten,
daarin met onuitwisbaar schrift.
Ja al de namen van Mijn kind’ren,
staan opgetekend in Mijn hand.
Niets zal de toegang je verhind’ren,
eens in te gaan in ‘t Vaderland.

Het is Mijn hand die je wil leiden,
naar ‘t reisdoel dat dit leven kent.
Het is Mijn hand die tot bevrijden,
wil zijn totdat je thuis eens bent.
Want niets ter wereld kan je scheiden,
van al Mijn liefde jouw bereid.
Mijn liefde schenk Ik tot verblijden,
Mijn trouw tot in der eeuwigheid.