Nederlandse-gedichten

De Heer Hij kent ons diepst verlangen,
Hij weet wat er in ons hart leeft.
Wij biddend hopen te ontvangen,
wat God genadig aan ons geeft.
Wij hopen dat God wil verhoren
de beden die elk tot hem zendt.
‘t Verlangen dat in ons geboren,
ook door de Schepper wordt erkend.

Niet altijd zal de Heer verhoren,
en komt er antwoord op ’t gebed.
Want God Hij weet reeds van te voren,
waar Hij bij ieder kind op let.
Want Vader God Hij wil het beste,
niet altijd wat Zijn kind verlangt.
Voordat die zegenend Gods geste,
in liefde van de Heer ontvangt.

De keuze die de Heer zal maken,
stijgt immers boven d’ onze uit.
Die zal ons pas gelukkig maken,
naar wat Hij voor elkeen besluit.
Want ’t geen wat wij als mens bedenken
dat voert de Heer dikwijls niet uit.
Als Hij wat beters heeft te schenken,
dat niet tegen Zijn regels stuit.

Wees daarom blij met alle gaven
waarmee de Heer ons overlaadt.
Zijn zegen waar Hij mee zal laven
slechts ’t goede dat ons nimmer schaadt.
Leg u dan neer bij de gedachten
dat God steeds weer voor ’t beste kiest.
En leer geduldig af te wachten
waarbij u wint en nooit verliest.

Als jij geen raad meer weet
kapot, moe en verslagen.
Door ’t aangebrachte leed
dan mag je God hulp vragen.
Kniel dan maar voor Hem neer
vertel Hem van jouw noden.
Vertrouw dat door de Heer
Zijn hulp je wordt geboden.

Als God gevouwen handen,
gebogen knieën ziet.
In ’t hart de vragen branden
die jij als mens Hem biedt.
Dan luistert God geduldig
je woorden een voor een.
Die je tot Hem veelvuldig
mag uiten met geween.

Al is God hoog verheven
Vader ziet op je neer.
Want Hij zal aan je geven
een hart vol vredessfeer.
Je komt ’t verdriet te boven
doordat de Heer je helpt.
En jij er in mag geloven
dat Hij je wonden stelpt.

De Heer heeft zich met ons verbonden
Hij staat in liefde ons terzij.
Hij zoekt totdat Hij heeft gevonden
en zegt elk mens hij hoort bij Mij.
Ik ben de Herder zij mijn schapen
Ik ben het die hen hoed en weid.
Ik waak wanneer zij allen slapen
voordat Ik hen weer verder leid.

De kudde die Hij zal beheren
die leidt Hij naar ’t beloofde land.
Naar waterbronnen vredessferen
een rustoord aan de waterkant.
En mocht er soms een schaap verdwalen
in ’s levens barre woestenij.
Dan zal de Heer dat schaap terughalen
want ook dit schaap dat hoort erbij.

Hoor jij ook bij die kudde schapen
en bij de Herder die hen leidt.
Die met Zijn kruisvlag als zijn wapen
ook jou van zonde heeft bevrijd.
Wil jij die Goede Herder volgen
wiens stem en hand de wegen wijst.
Waarop je niet door ’t kwaad verzwolgen
met Hem naar ’t veilig einddoel reist?

Je mag je bij Zijn kudde scharen
door ook met Hem op weg te gaan.
Dan zal de Herder je bewaren
want Jezus Christus is zijn naam.
Je zult geluk en vrede vinden
want weet de Heiland roept ook jou.
Om hart en ziel aan Hem te binden
geborgen in Zijn liefde en trouw.
 

Mijn kind Ik zal je nooit vergeten.
Jouw naam staat in Mijn hand gegrift.
Ik wil je hierbij laten weten,
daarin met onuitwisbaar schrift.
Ja al de namen van Mijn kind’ren,
staan opgetekend in Mijn hand.
Niets zal de toegang je verhind’ren,
eens in te gaan in ‘t Vaderland.

Het is Mijn hand die je wil leiden,
naar ‘t reisdoel dat dit leven kent.
Het is Mijn hand die tot bevrijden,
wil zijn totdat je thuis eens bent.
Want niets ter wereld kan je scheiden,
van al Mijn liefde jouw bereid.
Mijn liefde schenk Ik tot verblijden,
Mijn trouw tot in der eeuwigheid.

Hij gaat ons voor Hij wil ons leiden
wijst ons de weg om die te gaan
die ons zal voeren tot bevrijden
de weg naar ’t hemels Kanaan.
Hij spreekt tot ons rijk in verhalen
over het komend koninkrijk.
Die Hij begripvol blijft vertalen
Hij geeft ons van Zijn liefde blijk.

Hij blijft Zijn wonderen ons tonen
die wijzen op Zijn grote macht.
Hij schenkt Gods dochteren en zonen
genezing en hen nieuwe kracht.
Hij richt hun geest Hij richt hun voeten
opdat zij op Zijn paden gaan.
Waar heil en vree hen zal ontmoeten
toevloeit op heel hun levensbaan.

Ook heden is Zijn stem te horen
de Herder die Zijn schapen leidt.
Hij laat voor hen het zonlicht gloren
dagelijks over hen uitgespreid.
Zijn staf is als een richtingwijzer
die wordt geheven voor hun oog.
Het is voor allen de verwijzer
naar ’t pad dat allen voert omhoog.

Liefde is elkander dragen,
elke dag een leven lang.
Liefdevol elkaar verdragen,
levend in Gods welbehagen.
Liefde is aandachtig luist’ren,
warme woorden spreken, fluist’ren.
Liefde dat is geven, delen,
met elkaar bewogen zijn.

Liefde is elkaar beminnen,
elke dag een leven lang.
Liefdevol zoekend naar wegen,
en elkander zijn tot zegen.
Liefde dat is ook vergeven,
dat wat mis ging in het leven.
Liefde is de hand toe reiken,
daar aan wand’len in ‘t bestaan.


In de kringloop van ’t gebeuren
zien wij de getijden gaan.
Elk seizoen bezit zijn kleuren
die ook eenmaal weer vergaan.
Wat ons ’t voorjaar heeft te bieden
na de koude wintertijd
zal ook eenmaal weer vervlieden
in de warme zomertijd.

Maar ook die zal weer verglijden
met haar schoonheid en haar glans.
Die ons steeds weer blijft verblijden
luchten blauw met zonnekrans.
Waarna herfstsfeer zich laat gelden
met haar stormen en haar wind.
Winter zich daarna gaat melden
waar zich sneeuw en ijs bevindt.

Zo gelijkt ook ’t mensenleven
op de kringloop hier getoond.
Als de knop zo schoon geweven
in ’t voorjaarstij de aard bewoont.
Doortrokken worden dan de tijden
steeds weer herhaald door God beschikt.
Dagen, jaren die verglijden
eenmaal door God afgetikt.

Mens en schepping deze beiden
onderhevig aan de tijd.
Moeten in de kringloop scheiden
van wat God eens heeft bereid.
Op een dag zal het gebeuren
dat God alles weer vereend.
En voor eeuwig met haar kleuren
nieuwe schoonheid wordt verleend.

Na het sterven komt nieuw leven
heel Gods schepping bloeit weer op.
Die belofte is ons gegeven
alles staat dan weer in knop.
Ook ons mensen wordt gegeven
door de Heer een nieuw bestaan.
Want de kringloop van het leven
zal eens eeuwig verdergaan.

Wij komen bijeen in de naam van de Heer,          
geroepen tot horen en prijzen.
Het licht uit de hemel dat daalt tot ons neer,
het licht dat God voor ons laat rijzen.
Zijn Woord als een licht in ons leven gesteld,
zal paden en voeten verlichten.                                                  
Wij mogen het horen het wordt ons verteld,
ons hart en ons oog er naar richten.

Het heil ons bereid door de komst van Zijn Zoon,
gekomen om ons te bevrijden.
Die lijdend en stervend, voor ons droeg het loon,
de dood overwon door Zijn strijden.
Die opstond, verheerlijkt het graf toen ontrees,
de macht van de dood heeft verslagen.
Die ons door Zijn lijden, Zijn liefde bewees,
heeft al onze zonden gedragen.

Bevrijd door het Woord en het hand’len van God,
zijn wij weer Gods kind’ren, beminden.
Door Hem die een keer bracht in ‘t menselijk lot,
gekomen voor lammen en blinden.
Melaatsen, gekwetsten en armen van geest,
voor elk uit een vrouw eens geboren.
Is Hij heel de wereld tot redding geweest,
laat voor ons Gods heilslicht blij gloren.

Wij danken en prijzen de Vader, de Zoon,
de Geest die ons troost en wil leiden.
Wij zingen ons lied nu op juichende toon,
Gods liefde zal nooit van ons scheiden.
Hij die ons behoedt, ons Zijn liefde verklaart,
en steeds onze schuld wil vergeven.
Ons leven wil richten en veilig bewaart,
plaatst Hij ons in ‘t licht, schenkt ons leven.

God kent de kamers van je hart
Hij is bekend met je gedachten.
Vertelt in liefde wat jij mens
van Hem je Helper kunt verwachten.

De Heer komt tot je met Zijn Woord
Hij geeft aan jou Zijn wil te kennen.
Hij hoopt dat jij die ook volbrengt
als kind in Vaders arm zult rennen.

Jouw leven wordt door Hem bewaakt
Zijn hand zal liefdevol je leiden.
Waar jij op ’s Heren wegen gaat
waar Vader jou graag wil verblijden.

Met Vader ben je nooit alleen
Hij zal jou kind altijd beschermen.
’t Is Vader die je nooit verlaat
maar zich over jou blijft ontfermen.


Roep in je nood de Heer maar aan
laat Hem je stem maar horen.
Weet Hij zal luisteren en verstaan
laat voor je ’t licht weer gloren.
Wat nu nog grauw en duister blijkt
door nevelen omgeven.
De Heer zorgt dat het duister wijkt
’t weer licht wordt in je leven.

Nooit ging Hij aan een roep voorbij
die opklonk uit de harten.
Hij immers staat voor jou en mij
bekend als Man van Smarten.
Want altijd geeft de Heer gehoor
en laat dat je ook merken.
Op ’t levenspad gaat Hij je voor
om voet en gang te sterken.

De Heer richt de vermoeiden op
die tot Hem zijn gekomen.
Hij haalt hun levens uit het slop
en schenkt hun nieuwe dromen.
Al wie zich tot de Heiland richt
zal van Hem ’t heil ervaren.
Hij brenger van het goede bericht
blijft steeds Zijn liefd’ verklaren.

Het licht van Gods aanwezigheid,
dat voor ons is ontstoken.
Haar stralen in de ruimte spreidt,
straalt helder ongebroken.
Het spreekt van liefde en van trouw,
verhaalt van Gods genade.
En met dit licht in ogenschouw ,
laat God er ons in baden.

Dit licht dat voor ons uitgespreid,
de ruimte blijft vervullen.
Is spiegel van de eeuwigheid,
waarmee God wil omhullen.
Een ieder die naar ‘t licht opziet,
hen daarmee overspoelen.
Symbool van toekomst in ‘t verschiet,
die komt naar Gods bedoelen.

Gods licht dat hart en ziel verblijdt,
ons uit het duister heffend.
Het licht dat naar het leven leidt,
ons met haar stralen treffend.
Met gouden glans haar koorden spint,
waarmee God ons wil trekken.
Licht van de Heer die ons bemint,
doet in ons vreugde wekken.


God gaat met ons Zijn wonderlijke wegen
Hij leidt ons mensen elk door het bestaan.
Omgeven worden wij met ‘s Heren zegen
als wij met hart en ziel de Heer zijn toegedaan.
Ons aards geluk dat ligt in ‘s Heren handen
het is Zijn vrede die Hij onze harten schenkt.
Want in Gods hart blijft eeuwig liefde branden
waarmee ons dagelijks leven door Hem wordt doordrenkt.

Vaak rijzen in ons hart tot God de vragen
om het voor ons vaak onbegrijpelijk waarom.
Als Hij ons zorg en moeiten laat verdragen
dan blijft Hij toch met trouw en liefd’ rondom.
Want ondanks alles zal de Heer ons helpen
al wordt dikwijls ons geloof in Hem beproefd.
Hij heeft belooft dat Hij de noden steeds zal stelpen
en aan een ieder geven zal wat hij behoeft.

Wie aan het einde van Gods wonderlijke wegen
omziet naar ’t pad dat met de Heer is afgelegd.
Kan slechts bevestigen dat God Zijn milde zegen
op hoofd en schouders van hem steeds heeft neergelegd.
Dan komt hij thuis de plaats die God beloofde
bereikt door ’t vast vertrouwen in Gods Woord.
Omdat hij in dit woord als op een rots geloofde
en daardoor in mag treden door de gouden hemelpoort.

Hij was als mens alles verloren
’t bestaan bestond uit eenzaamheid.
Hij zag geen enkel licht meer gloren
wilde van d’ eenzaamheid bevrijd.

’t Was elke dag voor hem weer vechten
tegen de golven van ’t verdriet.
Hij wilde zich zo graag weer hechten
aan iemand die hem uitkomst biedt.

Hij had van Jezus niet vernomen
en wist de weg niet daar naar toe.
Om bij de Heiland aan te komen
hij was kapot en levensmoe.

Maar op een zondag in zijn leven
bezocht hij plotseling de kerk.
Daar werd door ’t woord hem aangegeven
het heil van Gods verlossingswerk.

De mens vermoeid en zwaar beladen
mag daarmee tot de Heiland gaan.
En Hem vertellen van de schade
aan hem in ’t leven aangedaan.

Zo kwam ook ’t woord bij hem naar binnen
dat hem ten diepste heeft geraakt.
Hem kansen bood van nieuw beginnen
door Jezus tot nieuw mens gemaakt.

Zijn leven gaf hij Hem in handen
van nu af volgde hij de Heer.
Die liefde in zijn hart liet branden
ontstoken en niet eenzaam meer.

De aarde zij zal eenmaal juichen,
de volkeren zullen zich buigen.
Voor Christus, de Koning, de Heer.
Zij zullen van d’ aards einden komen,
en naar Jeruzalem stromen.
Hem brengend de lof en de eer.
Als Hij op de heuv’len Zijn voeten,
zal zetten en voor hen zal staan.
De wereld in koon’lijk begroeten,
zal richten, rechtvaardig, bekwaam.

De boekrol zij wordt dan ontsloten,
waarin al de namen gesloten.
Geopend, geschreven dan staan.
Dan zal Hij Gods kinderen wenken,
beschreven met ’t Goddelijk  gedenken.
In liefde ziet Hij hen dan aan.
En hen tot Zijn Vader geleiden,
gereinigd door ‘t bloed van het Lam.
Gekomen om hen te bevrijden,
Hij die al hun zonden wegnam.

Dan zullen zij rein in Gods ogen,
wiens hart met ontferming bewogen.
Hen nodigt om binnen te gaan.
Het Godsrijk voorgoed te betreden,
te leven in ‘t eeuwige heden.
Om met Hem aan tafel te gaan.
De aarde wordt tuin van de vrede,
waarop de gerechtigheid woont.
Jeruzalem eeuwig de stede,
waaruit God Zijn liefde betoont.

Daar zal Hij de volk’ren regeren,
met wijsheid hen hoeden en leren.
Omstraalt door het eeuwige licht.
Hij zal hen met drank en met spijzen,
verzadigen en hen bewijzen.
Zijn macht door Zijn daden verricht.
De hemel en aarde herschapen,
vernieuwd en met luister bekroond.
Waarboven het Goddelijk wapen,
van liefde en vrede zich toont.


Licht dat stromend steeds blijft vloeien.
Licht dat ons verwarmt, verblijdt.
Licht dat eindeloos blijft groeien.
Stralend Licht der eeuwigheid.
Geen begin kent en geen einde,
uitgaand van de Eeuwig Zijnde.
Licht dat uitstraalt van Zijn troon.
Hemels licht zo wonderschoon.

Licht dat nimmer zal verbleken.
Licht dat waaiert om ons heen.
Licht dat gaat naar alle streken.
Stralend licht dat niet alleen,
onze zielen zal verwarmen.
Maar ons toont het groot erbarmen.
Van Gods liefde spreekt, de Heer.
Licht dat brengt in hemelsfeer.

Licht dat ons voor God laat juichen.
Licht in zeven kleuren rijk.
Licht dat ons voor Hem laat buigen.
Stralend licht in handbereik.
Licht dat voor ons is ontloken,
eenmaal door God zelf ontstoken.
Licht dat helder is en rein.
Onbesmet voor God moest zijn.

Licht waarin wij mogen leven.
Licht zo klaar, als fijn kristal.
Licht dat Hij steeds uit laat zweven.
Stralend licht door het heelal.
Geen begin kent en geen einde,
uitgaand van de Eeuwig Zijnde.
Licht dat uitstraalt van Zijn troon
Hemelsbreed zo wonderschoon.

Bij 't blinken van de dageraad,
vertrokken naar het graf drie vrouwen.
Hun hart was in bedroefde staat,
zij wilden bij de Heiland rouwen.
Met specerijen in hun doeken,
wilden zij hem voor 't laatst bezoeken.
Maar wie wentelt de steen hen af,
die was gerold voor 't donker graf?

Bij aankomst zagen zij verbaasd,
de zware steen, hij was verdwenen.
Zij keken in het graf gehaast,
waar zij door 't eng'lenlicht beschenen,
ontsteltenis hen ging bevangen,
maar door Gods engel opgevangen.
Die tot hen sprak "Hij is hier niet,
Hij is verrezen zo gij ziet".

Gaat tot uw broeders brengt het woord,
het blijde nieuws zojuist vernomen.
Naar Galilea gaat Hij voort,
om daar met u tesaam te komen.
Daar zal de Heer u weer ontmoeten,
Hij de Verrezene u begroeten.
U zult Hem daar in glorie zien,
naar 't woord waarvan ik u bedien.

Gedraag je naar de woorden van de Heer
en luister steeds weer wat Hij heeft te zeggen.
Leg niet de woorden van de Heiland naast je neer
door die als nutteloos terzijde te gaan leggen.
Maar richt je hart en oren steeds op Hem
waarop je ogen zich ook richten zullen.
Hij vraagt in liefde je met warme stem
om wat Hij vraagt ook blijvend te vervullen.

’t Belangrijkst wat de Heiland van je vraagt
is dat de liefde in je hart zal prijken.
En dat je die ook dagelijks uitdraagt
die door jouw levenshouding ook zal blijken.
Want is jouw leven in het liefdekleed gehuld
dan is dat duidelijk zichtbaar ook te merken.
Als jij de wensen van de Heer vervult
dan zal Hij je daarin ook zeker sterken.

Mijn kind ‘k beveel je hierbij in Gods handen.
Hij die ook jouw leven beschermt en behoedt.
Ik wens je een leven met veel gouden randen,
en dagen geschonken, met Zijn overvloed.

Ik wens je veel druppels, de dauw van Zijn zegen,
het vuur van de Geest, als een vlam in je hart.
Gods trouw en Zijn liefde je leidend op wegen,
tot steun zijn in dagen van vreugde en smart.

Laat liefde je daden en hand’len beheersen,
ontvangend van Hem steeds weer stromen van kracht.
Zoek steeds naar de vrede, laat die overheersen,
blijf wand’len in ‘t Godslicht dan wordt het nooit nacht.


Bent u ook zoals de Vader,
in de hemel ruim van hart.
Die Zijn kind’ren blijft vergeven,
‘t kwade, dat wat zij misdreven.
Niet toerekent, niet gedenkt,
zal vergeten, hen laat weten,
nodigend hen liefd’vol uit.
Hen weer in Zijn armen sluit.

Bent u ook zo voor de mensen,
die u hebben pijn gedaan.
Door hun woorden en hun hand’len,
hun gedragingen, hun wand’len.
Kunt u hen hun schuld vergeven,
en weer met hen samen leven.
Nieuwe wegen weer te gaan,
anders, liefdevol voortaan.

Zegt de Heer niet ons te hand’len,
naar het voorbeeld dat Hij gaf.
Steeds bereid weer tot vergeven,
want dat is het nieuwe leven.
Dat daardoor weer kan beginnen,
dat is leven in beminnen.
Zoals God u heeft vergeven,
liefde schenkt die weer doet leven.

Hoe lang zult U Heer nog gedogen,
het kwaad en ‘t onrecht dat geschiedt.
Dat mensen steeds weer in Uw ogen,
elkaar bestrijden, doen verdriet.
Zij staan elkander naar het leven,
met oog om oog en tand om tand.
Het woord dat U hen hebt gegeven,
wijst hen de weg, een and’re kant.

U houdt ons voor in liefd’ te leven,
te werken aan de vrede op d’ aard.
De vrede steeds weer na te streven,
en die standvastig ook bewaard.
Dat is de opdracht ons gegeven,
die te volbrengen naar Uw woord.
In vrede en liefde samenleven,
en saam verbonden met dit koord.

De zonde laat haar macht nog merken,
de staat waarin de schepping viel.
Waar haat en bitterheid bewerken,
een aanslag plegend op de ziel.
Om zo het goede te verstoren,
dat tegenpool is van het kwaad.
God wijst een weg waarvan de sporen,
ons leiden naar een nieuwe staat.

Want eenmaal zal de dag aanbreken,
waarop de Heer, ons reeds vermeld.
Het grote licht ons zal ontsteken,
dat ons voor ogen wordt gesteld.
Dan zal de zonde zijn verdwenen,
als satans macht is uitgewoed.
Dan wordt de aarde zacht beschenen,
door ‘t vredelicht wat ons begroet.

Geen onrecht zal er dan meer wezen,
geen oorlog meer, geen dood, geen pijn.
Geen haat, verdeeldheid meer te vrezen,
maar liefde en vrede zal er zijn.
Die laat God over heel de aarde,
bevestigend de ronde gaan.
Dit is het heil dat Hij verklaarde,
en mag ons blij voor ogen staan.