Nederlandse-gedichten

Voor elk besluit heeft God een reden,
Zijn weg met jou goed overdacht.
Je mag best in discussie treden,
maar houdt Zijn woorden in gedacht.
Je kunt Zijn handelen wel betwisten,  
maar zet in wijsheid Zijn plan door.
Ook als in ’t hart je vragen gisten,
dan neemt Hij ze graag met je door.

Wat relevant is wordt besproken,
daar gaat God ook met je op in.
Maar soms blijf je door Hem verstoken,
op ‘t antwoord over nut en zin.
Vaak zie je later dat Gods wegen,
achteraf steeds de beste zijn.
Al ging daarbij Gods milde zegen,
soms langs de weg van moeite en pijn.

Laat God dus maar besturen waken,
’t is immers wijsheid wat Hij doet.
Zo zal Hij alles wel gaan maken,
vanuit Zijn Bron van overvloed.
Voor elk besluit heeft God Zijn reden,
aanvaard en voeg je naar Zijn wil.
Hij komt je tegemoet getreden,
en luistert naar Zijn woorden stil!

Er viel een lichtstraal naar beneden,
tussen de wolkenstapels door.
Het bleek een trap met vele treden,
een schitterende metafoor.
Ik wilde hem het liefst bestijgen,
door tree voor tree omhoog te gaan.
En zo het uitzicht te verkrijgen,
als ik op de wolken eens zou staan.

Maar deze trap met gouden treden,
heeft wel mijn oog en hart geraakt.
Die is gemaakt in d’ eeuwigheden,
en door de engelen wordt bewaakt.
Want daarlangs mogen zij slechts klimmen,
die door God zelf geroepen zijn.
En ’t gouden licht langzaam laat dimmen,
wanneer de laatsten boven zijn.

Zo’n lichtstraal zie ik regelmatig,
en dikwijls zie ik er wel meer.
Die door de wolkenvelden statig,
dan dalen op de aarde neer.
Dan zullen weer de zielen stijgen,
die God laat klimmen naar omhoog,
Om ’t eeuwig leven te verkrijgen,
achter Gods gouden hemelboog.

Dan wordt de ladder opgetrokken,
en sluit zich ’t wolkendek weer toe.
De zielen worden nu betrokken,
bij ’t hemels feest, zijn nooit meer moe.
Zo laat God regelmatig dalen,
op vele plaatsen telkens neer.
Zijn lange gouden ladderstralen,
uitkomend in Zijn hemelsfeer.

Ik hoop eens zo’n lichtstraal te bestijgen,
die als zo’n ladder zich ontpopt.
Om ’t eeuwig leven te verkrijgen,
daar waar die gouden lichtstraal stopt.
Ik zal hem verwachtingsvol betreden,
met aandacht tot ik boven ben.
En bij de allerlaatste treden,
’t gezicht van Jezus daar herken.

Als je de laatste tocht moet gaan,
dat heb je immers niets te vrezen.
Want Jezus biedt Zijn hand je aan,
zal met Zijn lichtglans met je wezen.
Door krochten van de doodsvallei,
zal Hij je naar het einddoel wijzen.
Gaand aan de laatste grens voorbij,
op weg naar ’s hemels paradijzen.

Als je de laatste tocht moet gaan,
mag je in Vaders armen rennen.
Die op de uitkijk reeds zal staan
en zult Hem in het licht herkennen.
Je nieuwe woning staat reeds klaar,
die je door Jezus mag betrekken.
Je wordt de hemel straks gewaar,
die je met vreugde zult ontdekken.

Als je de laatste tocht moet gaan,
dan moet je alles achter laten.
Want reizend naar je nieuw bestaan,
zal aards bezit je daar niet baten.
In de hemel geldt een andere norm,
dan die je kende op de aarde.
Daar heeft alles een andere vorm,
maar die is van veel grotere waarde.

Als je de laatste tocht moet gaan,
is dat het pad naar ’t eeuwig leven.
Van alle aardse zorg ontdaan,
wordt jou het Goddelijk heil gegeven.
Niets is op d’ aard daaraan gelijk,
in mensen woorden niet te vatten.
Want in het hemels koninkrijk,
ontvang je daar Gods rijke schatten.

Er vliegt een schitterend witte vogel,
met vredestak de wereld rond.
Bezoekende de vier windstreken,
kijkend waar hij een plekje vond.
Zijn boodschap moet hij laten horen,
op aarde waar de vrede ontbreekt.
En die aan velen gaan vertellen,
hoe dat men samen vrede kweekt.

Hij vliegt van ’t Noorden naar het Zuiden,
vol goede moed van Oost naar West.
Wat hij de mensheid heeft te melden,
in zijn parmantig witte vest.
Geen duif als hij kan sneller vliegen,
geen ander die hem evenaart.
Om overal op tijd te wezen,
zijn vredesboodschap daar verklaart.

Hij kan hoog door het luchtruim scheren,
is in een oogwenk waar hij wil.
Hij is de snelste hemelbode,
die komt van ’s hemels duiventil.
Overal brengt die duif zijn takjes,
die hij geplukt heeft in het groen.
En hij vertelt aan alle mensen,
wat men met ’t takje heeft te doen.

Elk takje aan de deur verbonden,
van ieder huis zegt dat men werkt.
Aan vrede die men zal gaan sluiten,
die de saamhorigheid versterkt.
Wanneer de duif is uitgesproken,
en alle takjes aangebracht.
Dan heeft de witte duif zijn missie,
van vrede brengen goed volbracht.

Je krijgt niet altijd antwoord op je vragen,
er blijkt vaak veel dat onbeantwoord blijft.
Van wat je in het leven hebt te dragen,
en dikwijls daar de zin niet van begrijpt.
Dan lijkt de hemelpoort voor je gebed gesloten,
alsof er door God niet geluisterd wordt.
En al je woorden daarop worden afgestoten,
de tranen niet gezien die er zijn uitgestort.

Wat kan een mens zich dan verloren voelen,
als hij in nood de hemelpoort bestormt.
En tot God uitschreeuwt wat is Uw bedoelen,
het diep van binnen vreselijk in je stormt.
Op vele vragen blijft God soms het antwoord schuldig,
maar toch heeft Hij je beden wel gehoord.
En klinkt Zijn stem, Mijn kind wacht af  wees maar geduldig,
het antwoord wordt op Mijn tijd pas verwoord.

Soms zul je hier op aard geen antwoord krijgen,
want daar heeft God een goede reden voor.
Hij blijft voor jou dan ’t antwoord stil verzwijgen,
daarop krijg je in de hemel pas gehoor.
God test je geloof en Hij beproeft steeds je vertrouwen,
Zijn handelen is een oefening voor je in geduld.
Maar eenmaal laat Hij je naar Zijn beloft’ aanschouwen,
wordt op je vragen het antwoord je onthuld.

Wij trekken nog dikwijls met wapens ten strijde,
want opdracht en missie moet worden vervuld.
De wereld kent immers haar roerige tijden,
veel landen zijn nog in conflicten gehuld.
Veel mannen zij gaven daarvoor vaak hun leven,
om vrijheid te brengen waar die werd verwacht.
Manmoedig dat bleken zij steeds in hun streven,
maar het heeft hun nog geen overwinning gebracht.

Irak en Afghanistan blijken de haarden,
waar menig soldaat al zijn leven verloor.
Wat heeft in die strijd nog hun leven voor waarde,
voor recht en voor vrede daar kwamen zij voor.
Er zijn er inmiddels al velen gevallen,
het plan en het doel zijn nog lang niet bereikt.
Nog klinken voortdurend er schoten en knallen,
het bewijs dat er nog heel veel tegenstand blijkt.

Ook Israel speelt hier een rol in ’t gebeuren,
met de Palestijnen reeds lang in conflict.
Men kan nog geen teken van vrede bespeuren.
omdat men elkanders voorwaarden niet slikt.
Dit leidt weer tot aanslagen, mensen vermoorden
en tot een spiraal die zich neerwaarts beweegt.
Wat is dan de zin nog van gesproken woorden,
wanneer men de essentie van tafel steeds veegt.

De wereld blijkt steeds meer complexer geworden,
problemen zij vragen een helder mandaat.
Want die liggen duidelijk nog op de borden
en dat is ’t waarbij de conflicten om gaat.
Gods inzicht en licht zijn hier wenselijk geboden
en dat vraagt om wijsheid om moed en om kracht.
Tot vrede ondanks steeds het groot aantal doden,
uiteindelijk met moeite tot stand wordt gebracht.

God laat geen smeek’ling staan,
schenkt hulp die wij behoeven.
Die biedt Hij liefd’vol aan,
Zijn trouw en liefde proeven.

God gaat ons niet voorbij,
maar Hij zal ons verhoren.
Hij staat ons steeds terzij,
wij die bij Hem behoren.

God geeft ons moed en kracht,
schenkt ons Zijn zegeningen.
Heil mag van Hem verwacht,
waarmee Hij zal omringen.

God kent doorgrondt ons hart,
heeft weet van alle dingen.
Van onze vreugde en smart,
als tranen omhoog dringen.

God troost en slaat Zijn arm,
om allen die nog rouwen.
Is liefdevol en warm,
zorgzaam voor Zijn getrouwen.

God weet wat elk verlangt,
als Vader van Zijn kinderen.
Zorgt dat elk ’t beste ontvangt.
en zal dat nooit verhinderen.

Gods liefde moet vermeld,
met woorden uitgedragen.
En steeds weer doorverteld,
al onze levensdagen.

Het wordt steeds donkerder op aarde ,
oorlog geweld neemt steeds meer toe.
De vrede is nog ver te zoeken,
de mensheid wordt van het strijden moe.
Aan alle kanten heerst er dreiging,
reeds vele doden zijn geteld.
Die door ’t gebruik van oorlogswapens,
bloedend ter aarde zijn geveld.

Er rijzen dagelijks meer conflicten,
maar er wordt weinig opgelost.
Omdat halsstarrigheid blijft duren,
die steeds opnieuw weer levens kost.
Veel mensen zijn verminkt, beschadigd,
het is de haat die veel verwoest.
Die steeds de kop weer op blijft steken
en in veel harten ingeroest.

De afstand tussen arm en rijken,
wordt dagelijks meer en meer vergroot.
De armen leven van rantsoenen,
de rijken kennen zelf geen nood.
Toch blijkt op aard genoeg voor velen,
want er is grote overvloed.
Om die met d’ armsten te verdelen,
de weg die men bewandelen moet.

De armen worden steeds maar armer,
de rijken vergaren meer geld.
Want zij hebben het voor het zeggen
en ’t wordt steeds minutieus geteld.
Gelijkheid is nog ver te zoeken,
uitbuiting blijkt nog steeds wat telt.
Begrijpelijk is dan ook ’t vervloeken,
dat de armen aan de rijken meldt.

Wanneer gaat men eens keuzes maken,
dat rijkdom eerlijk wordt verdeeld.
Er niet geleend wordt maar geschonken,
omdat dat is wat God beveelt.
Slechts zo kan er eens vrede komen,
als wij de armsten echt zien staan.
Om van een marginaal inkomen,
komend tot menswaardig bestaan.

Biedt ieder mens gelijke rechten,
dat maakt verhoudingen gezond.
Dan hoeft men ook niet meer te strijden,
voor een rechtmatig stukje grond.
Waarop men woont en kan verbouwen,
voorziend in ’t levensonderhoud.
En daar de vruchten van aanschouwen,
op ’t geen wat hem is toevertrouwd.

De schepping spreekt van Gods bestaan,
zo onweerstaanbaar in haar uiten.
Daar blijkt niet aan voorbij te gaan,
ik moet wel tot geloof besluiten.
Want alle dingen zon en maan,
de aarde en wie daarop wonen.
Getuigen wat God heeft gedaan,
wat Hij ons door Zijn woord blijft tonen.

De zon en maan zorgen voor ’t licht,
zij zijn de wachters van de tijden.
Die God voor ons heeft opgericht,
en elke dag ons weer verblijden.
In ’t duister laat God ons nooit gaan,
daar blijft Hij speciaal voor zorgen.
Hij bracht ze aan de hemel aan,
de maan voor ’s nachts, de zon voor ’s morgens.

De sterren aan het firmament,
het uitspansel met zijn planeten.
Maken Gods grootheid ons bekend,
wat van Zijn almacht ons laat weten.
De vele dieren op het veld,
verscheidenheid aan groen en bloemen.
Alles wat van Gods liefd’ vertelt,
dat met de mens Gods naam zal roemen.

Er kan geen spoor van twijfel zijn,
God blijkt van alles de ontwerper. 
Hij weefde ’t scheppingskleed zo fijn,
dat ervaar ik dagelijks scherper.
De aard’ de zee al wat God schiep,
getuigen van Zijn wonderdaden.
Ja al wat God tot leven riep,
mag zich in zorg en liefde baden.

Het zal aan kracht je nooit ontberen,
als je Mijn kind die aan Mij vraagt.
Je weet toch kind Ik ben je Vader,
waar nodig je op Mijn schouders draagt. 

Je kunt aan Mij kind alles vragen,
leg wat je wenst maar voor Mij neer.
En wacht tot Ik het op laat dagen,
bij ’t krieken elke ochtend weer. 

Steeds wanneer Ik de zon laat schijnen,
spreid Ik de gaven uit Mijn hand.
Laat die met gouden glans omlijnen,
Ik vul jouw handen tot de rand. 

Ik hoed en schraag je in het leven,
met liefde word je steeds begroet.
Die Ik je rijkelijk zal geven,
oneindig steeds in overvloed.
Hij zal ons leven dragen.
Hij weidt ons als een lam.
Hij drenkt ons met Zijn gaven,
die als een herder kwam.
Hij roept ons steeds bij name.
Hij wandelt voor ons uit.
Hij zal ons niet beschamen.
Hij speelt voor ons de fluit.

Hij ziet ons in de ogen.
Hij ziet ons in het hart.
Vol liefd' met ons bewogen,
kent onze vreugd' en smart.
Hij kan de wonden helen.
Hij balsemt onze ziel.
Wil alles met ons delen,
van wat ons ooit ontviel.

Hij draagt ons vol erbarmen,
wanneer wij zijn vermoeid.
Neemt troostend ons in d' armen,
als 't hart vol tranen vloeit.
Wanneer wij zijn beladen
door zorgen moeit' en pijn.
Dan zal Hij ons verkwikken,
met licht en zonneschijn.

Als de storm met sterke vlagen,
krachtig in je leven woedt.
Mag je steeds aan Jezus vragen,
of Zijn hand je weer behoedt.
In ’t geweld van wind en regen,
zal Hij zeker naast je staan.
En zij op Zijn machtwoord zwijgen,
zodat jij kunt verder gaan.

Steeds weer als er storm zal naderen,
donkere wolken pakken saam.
Die zich rondom je vergaderen,
roep om hulp in Jezus naam.
Dreigt je levensschip te stranden,
op de woeste levenszee.
Geef dan Jezus ’t roer in handen,
Hij stuurt ’t schip naar veil’ge ree.

Open onze oren voor Uw woorden Heer,
open onze harten, haal hun muren neer.
Open onze ogen neem de sluiers af,
laat aan hen het licht zien dat Gij aan ons gaf.
Licht om in te leven, licht om in te gaan,
licht om in te baden, licht om in te staan.

Laat Uw woorden klinken, klinken een voor een,
en als lichten blinken, als een edelsteen.
Die het hart beroeren en het onderwijst,
brengend in vervoeren opdat het U prijst.
Bron van helder water lessend onze dorst,
woorden ons ten leven, U de Vredevorst.

Geef Heer dat wij wand' len, wand' len in het licht,
en ook steeds ons handelen naar Uw woord gericht.
Wil in ons bewerken dat het ons versterkt,
dat het in ons leven liefde meer bewerkt.
Laat Uw woorden bloeien, groeien in ons hart,
woorden om te koest'ren, kracht in vreugd en smart.

Jezus gaat met je door het leven,
als je allerbeste vriend.
Trouw en liefde zal je omgeven,
en Zijn zegeningen ziend.
Jezus schenkt je hart de blijheid,
die je steeds van Hem ontvangt.
En Hij plaatst je in de vrijheid,
waar je zo naar hebt verlangt.

Aan niets laat Hij ’t je ontbreken,
ontvangt steeds wat je behoeft.
Elke dag opnieuw gebleken,
Zijn en Gods genade proeft.
Van waaruit Hij steeds weer handelt,
en Zijn wegen met je gaat.
Waarop je met Jezus wandelt,
Hij je vriend die nooit verlaat.

Altijd is Jezus aanwezig,
ieder uur is Hij nabij.
In Zijn zorg voor jou steeds bezig,
staat in moeiten je terzij.
Nimmer kun je ooit verdwalen,
als je gaat aan Jezus' hand.
Met Hem zul je ’t einddoel halen,
het aan jou beloofde land.

Jezus is gisteren en heden dezelfde,
steeds met Zijn kracht en Zijn liefde nabij.
Als je Hem kent dan wordt alles anders,
dan is je oude leven voorbij.

Jezus is gisteren en heden dezelfde,
Jezus Zijn liefde die gaat nooit voorbij.
Als je Hem kent komt er licht in je leven,
grijp je Zijn hand dan maakt Hij je vrij.

Jezus is gisteren en heden dezelfde,
altijd tot hulp, tot vergeven bereid.
Geef je je leven aan Hem in Zijn handen,
dan wordt je op wegen van vrede geleid.

Er is een warme stem te horen,
die spreekt je aan en roept je naam.
Wil jij voortaan bij Mij behoren,
vriend kom dan maar achter Mij aan.
Die roepstem heeft voor jou gevolgen,
en voor een ieder die besluit.
De stem van Jezus te gaan volgen,
en dringend nodigend je uit.

De Heer Hij heeft met jou Zijn plannen,
en daar Zijn koers voor uitgezet.
Hij wil jouw levensschip bemannen,
en op Zijn aanwijzingen let.
De levenszee wil Hij bevaren,
en daarop graag jouw Stuurman zijn.
Om je te hoeden voor gevaren,
koersend volgens een vaste lijn.

Een kalme reis zal het niet wezen,
daar heeft Hij je op voorbereid.
Met Hem aan ’t roer valt niets te vrezen,
door vaste hand perfect geleid.
Hij zal langs rots en klip laveren,
voert veilig door de stormwind heen.
Woeste golven zal Hij bezweren,
die mogelijkheid heeft Hij alleen.

Je zult de haven eens bereiken,
en met Hem zetten voet aan land.
Als ’t schip daar afmeert zal je blijken,
waar je voorgoed bent aangeland.
Dan ben je voorgoed thuisgekomen,
met Jezus na je lange reis.
En mag je voortaan met Hem wonen,
’t aan jou beloofde paradijs.

Weet je in Gods hand geborgen,
weet je door Gods hand geleid.
Elke dag wanneer de morgen,
je weer met haar licht verblijdt.
Als de eerste zonnestralen,
zich weer spreiden over d’ aard.
Die weer van Gods liefd’ verhalen,
en je daardoor wordt verklaard.

Voelen mag je Gods nabijheid,
tastbaar zijnd in de natuur.
Die je hart vervult met blijheid,
in het vroege morgenuur.
Van de ochtend naar de avond,
die weer uitmondt in de nacht.
Is de Heer je leven lavend,
met wat Hij heeft toebedacht.

In de zoete avondstilte,
zul je komen tot de Heer.
Voor de nachtelijke kilte,
dankbaar knielend voor Hem neer.
Dankend voor Zijn gunstbewijzen,
voor al ’t goede dat je kreeg.
En daarvoor de Heer te prijzen,
dit aan Vader niet verzweeg.

Leg je daarna maar ter ruste,
tot de nieuwe ochtendstond.
Wetend dat in ‘t onbewuste,
God tot jou Zijn engel zond.
Om in ’t nachtelijk uur te waken,
over jou terwijl je slaapt.
Tot de dag weer zal ontwaken,
die de Schepper heeft gemaakt.

Ik liep in d’ avondstilt’ te wandelen,
dichtbij de zee in ’t rulle zand.
Waar ik het water hoorde bruisen,
dat schuimend spoelde op het strand.
Ik keek naar de zwart fluwelen hemel,
met al zijn sterren om mij heen.
Die ik met hun gouden flonkeringen,
wilde gaan tellen een voor een.

Toen plotseling een stem ging spreken,
Mijn kind, dat tellen lukt je niet.
Het aantal sterren is veel groter,
dan jij met mensenogen ziet.
Want elke ster die je ziet stralen,
vertelt een mooi verhaal aan jou.
Dat boven je staat opgeschreven,
’t spreekt van Mijn liefde en Mijn trouw.

Ik ben de Schepper van dit alles,
wat door Mijn woorden is ontstaan.
Wanneer je naar ’t verhaal zult luist’ren,
kun je de boodschap ook verstaan.
Ik heb de dag, de nacht geschapen,
met elk hun licht aan ’t firmament.
Om over mens en dier te waken,
daarvoor is ’t hemellicht bestemd.

Des nachts zijn het de maan en sterren,
des daags is dat de gouden zon.
Waarnaar de mens zijn voet kan richten,
als hij zijn trektocht weer begon.
’t Getal der sterren is oneindig,
zij staan ook voor Mijn eeuw’ge trouw.
En voor Mijn grenzeloze liefde,
waarmee Ik Mij steeds wend tot jou.

Door ’t hier in stilt’ te openbaren,
schenk Ik de sleutel naar geluk.
Die Ik in de avondstilt’ wil geven,
ver van ’t gejacht, dagelijkse druk.
Geniet maar kind je mag ervaren,
dat Ik je God en Schepper ben.
Je Vader kind niet te vergeten,
en elk van jouw gedachten ken.

Ik was verbaasd door deze woorden,         
tot mij gesproken op het strand.
Maar ’t voelde veilig en geborgen,
daar op het strand aan Vaders hand.
Ik zal ook nimmermeer vergeten,
dat wonderlijk speciaal moment.
Wat Hij in liefde mij liet weten,
bemint te zijn, geliefd, gekend.

Bovenmenselijke liefde, liefde Gods oneindig groot,
die betrouwbaar en genadig, ons Zijn Een'ge Zoon aanbood.
Bovenmenselijke liefde, liefde die vergeven doet,
liefde door ons niet te peilen, liefde die zo lijden moet.

Bovenmenselijke liefde, liefde onvoorstelbaar groot,
liefde met een gouden randje, die ons redde van de dood.
Bovenmenselijke liefde, in een kind ons aangedaan,
liefde die tot aan het einde, voor ons in heeft willen staan.

Bovenmenselijke liefde, liefde waar geen woord voor is,
liefde die voor ons de brug slaat als een groot geheimenis.
Bovenmenselijke liefde, liefde uit Gods Vaderhand,
liefde die ons toe blijft stromen, liefde van de overkant.

Heer ik voel mij soms verloren,
in de kille wereld staan.
Als ik zie alle ellende,
die er steeds wordt aangedaan.
Al het leed ’t verdriet en onrecht,
trekt mij dagelijks voorbij.
En dat laat mij steeds weer roepen,
Goede God, Heer waar zijt Gij!

Ik hoeft ’t niet nader te benoemen,
want ik weet dat U ’t ook ziet.
Dat laat mij Uw Naam aanroepen,
waarom God komt U nog niet!
Ik weet ook U moet er om huilen,
als U al ’t geweeklaag hoort.
Waarom blijft U zich verschuilen,
nog achter Uw hemelpoort?

Vader God, hoe lang nog wachten,
voordat de tijd is gerijpt.
Waar Uw kinderen naar uitzien,
en U eindelijk ingrijpt?
Laat Uw Zoon snel wederkomen,
zoals Hij ons heeft beloofd.
En vervul dan onze dromen,
waarin door ons wordt geloofd.

Laat ons Heer toch niet versmachten,
met een hart dat naar U dorst.
Samen met Uw Zoon zal heersen,
als koning en als Vredevorst.
Dagelijks kijk ik door mijn ramen,
tot de hemel openscheurt.
En met mijn hartgrondig Amen,
zien mag dat dit ook gebeurt.