Met ineengevouwen handen,
sta ik kijkend bij je kist.
Hoe de dood met kille vingers,
jou van mij heeft weggegrist.
Roerloos stil en onbewogen,
zijn de lippen van je mond.
Toegesloten zijn je ogen,
waar eens ‘t  levenslicht in stond.

Wentelend gaan mijn gedachten,
in de stilte die m’ omgeeft.
Die mij pijnlijk laat beseffen,
’t einde dat elk leven heeft.
Bij die grens van dood en leven,
kijk ik stil en huiverend toe.
Kilte blijft mijn hart omgeven,
’t spreken zinloos wat ik doe.

Want je kunt mij niet meer horen,
en mijn woorden niet verstaan.
Nu je stil naar andere oorden,
ver van mij bent heengegaan.
Slechts je lichaam is gebleven,
koud en zielloos ligt het daar.
Waar je geest uit weg deed zweven,
wiekend als een adelaar.

Wat mij rest is straks begraven,
’t lichaam d’ aarde toevertrouwd.
Met een steen om te gedenken,
daar je naam lees zo vertrouwd.
Stille tranen laat ik vloeien,
want het afscheid valt mij zwaar.
Witte rozen zullen bloeien,
op jouw graf als liefd’ gebaar.