God reikt ons heil, genade aan,
Zijn blijde licht om in te gaan.
Dat Hij voor ons ontstoken heeft,
wat met haar warmte ons omgeeft.
Om blij te leven in haar glans,
rondom gespreid met wijde krans.

Wie wenst in ‘t duister voort te gaan,
als hij in ‘t licht mag gaan voortaan?
Wie zal er kiezen voor de dood,
als God aan hem het leven bood?
Hij immers schenkt oneindig wijd,
Zijn heilwoord ons tentoongespreid.

Zijn nodend woord klinkt overal,
dat ons van ‘t kwaad verlossen zal.
Ja al wie zich tot God bekeert,
en zich van ‘t kwaad heeft afgekeerd,
God zal hem sterken in die strijd,
als hij Hem trouw blijft toegewijd.

God schonk in liefde ons Zijn Zoon,
die voor ons droeg het zondeloon.
In Christus zijn wij wel bewaard,
vrij voor het oordeel Gods verklaard.
Met Hem eens overwinnaars zijn,
levend in Gods genadeschijn.