Laat lof en dank het hart ontspringen,
door mond en tongen blij geuit.
Wil met een lied de Heer toezingen,
voor ieder zegenrijk besluit.
Wij leven immers uit genade,
waarmee de Heer ons steeds omgeeft.
Worden met goedheid overladen,
die Hij opnieuw steeds aan ons geeft.

Als wierook zal ons danklied stijgen,
tot Hem de Schepper tot zijn troon.
Waar Hij tot ons zijn oor wil neigen,
ons lied beluisterend in Zijn woon.
Zo zal ons loflied zich vermengen,
met liederen van Zijn engelenheer.
Die ook met ons Hem lof doen brengen,
in glans en ’t licht der hemelsfeer.