Eens zal de dag aanbreken
die al ‘t duister verdrijft.
God ‘t morgenlicht zal rijzen
dat altijd met ons blijft.

De nacht laat God verdwijnen
haar macht door Hem ontzegd.
Maar ‘t zonlicht dat blijft schijnen
is ons reeds aangezegd.

In ‘t heilslicht dat gaat gloren
ademt Gods schepping op.
De mens wordt als herboren
en doden staan weer op.

Rondom Gods troon vergaderd
in ‘t gesticht vrederijk.
Wordt elk met liefd’ dooraderd
met ‘s Heren liefdeblijk.